Kwartaalbericht Q1 2019 - Wilgenhaege

Kwartaalbericht Q1 2019

Heeft u een vraag?
Neem contact op

Een goed begin van 2019

Eind vorig jaar leidden de toegenomen onzekerheden tot een forse daling van de aandelenmarkten, maar deze daling is in het eerste kwartaal van 2019 voor het grootste deel tenietgedaan. De Amerikaanse centrale bank (Fed) en de Europese Centrale Bank (ECB) gaven aan het geplande pad van verkrapping van het monetaire beleid los te laten om zo de economische afzwakking enigszins te ondervangen. Dit zorgt voor neerwaartse druk op de rentevergoeding op staatsleningen. De 10-jarige Duitse staatslening is in het eerste kwartaal gedaald van 0,24% naar -0,07% en de 10-jarige Amerikaanse rente is gedaald van 2,68% naar 2,41%. Een minder krap beleid is positief voor de aandelenmarkten. Ook was er positief nieuws over de voortgang van de onderhandelingen tussen de Verenigde Staten (VS) en China. De S&P 500 steeg met 13,1% van 2506,85 naar 2834,40 en de AEX steeg met 12,5% van 487,88 naar 548,98. Ondertussen zijn er nog steeds verschillende risico’s die voor de nodige volatiliteit kunnen zorgen, zoals het handelsconflict tussen de VS en China en de Brexit.

 

Verenigde Staten

De Amerikaanse economie groeide in het vierde kwartaal van 2018 met 2,2% op jaarbasis, terwijl er in het derde kwartaal nog sprake was van een groei van 3,4% op jaarbasis. Consumentenbestedingen en investeringen (exclusief de huizenmarkt) stegen minder dan verwacht en overheidsuitgaven daalden. Voor heel 2018 kwam de economische groei uit op 2,9%. Verschillende vertrouwensindicatoren wijzen echter op afnemende groeivooruitzichten van de Amerikaanse economie. In de VS valt de fiscale stimulering weg, die in 2018 voor extra groei heeft gezorgd. De manufacturing PMI daalde van 54,9 in januari naar 52,4 in maart. De diensten PMI steeg licht van 54,9 in januari naar 55,3 in maart. Een niveau boven de 50 duidt op verwachte economische groei.

 

Hoewel er sprake is van lagere economische groei, is de huidige economische situatie in de VS nog steeds goed. Met name de arbeidsmarkt ligt er goed bij. De werkloosheid blijft laag (3,8%). Het gemiddelde uurloon steeg met 3,2% in maart ten opzichte van een jaar eerder. De lagere groei komt ook tot uiting in de detailhandelsverkopen. Deze daalden in februari met 0,2%, waardoor de groei op jaarbasis 2,2% bedraagt. Dit is beduidend lager dan de groei die in 2018 gerapporteerd werd.

 

De Fed verwachte dat de economische groei in 2019 2,1% zal bedragen, in 2020 1,9% en in 2021 1,8%. De inflatieverwachting van de Fed is licht naar beneden bijgesteld naar 1,8% voor 2019 en 2,0% voor 2020 en 2021. De verwachte kerninflatie (totaal exclusief energie en voedingsmiddelen) bedraagt 2,0% voor de komende jaren. Daarmee ligt het inflatieniveau rond de doelstelling van de Fed.

 

De Fed verhoogde in december vorig jaar voor de laatste keer de beleidsrente met 0,25%-punt naar een bandbreedte van 2,25% tot 2,5%. De Fed heeft aangegeven de eerder verwachte renteverhogingen voor dit jaar niet meer door te voeren en dat het afbouwen van de obligaties van de balans eerder stopt. Zo heeft de Fed eind maart gecommuniceerd dat het afbouwtempo in mei wordt verlaagd van $30 miljard naar $15 miljard per maand en dat de afbouw aan het eind van september tot stilstand wordt gebracht. Dit ondanks de gestage groei van de Amerikaanse economie en de sterke arbeidsmarkt. Minder wereldwijde economische groei is de belangrijkste reden voor een pas op de plaats. Daarnaast spelen andere onzekerheden zoals het handelsconflict met China en de Brexit een rol.

 

Europa

De reële groei van de eurozone kwam in het vierde kwartaal van 2018 uit op 0,2% op kwartaalbasis. Daarmee kwam de groei voor heel 2018 uit op 1,9%. In 2019 schat de ECB de groei van de eurozone op 1,1%, in 2020 op 1,6% en in 2021 op 1,5%. Vooral de Italiaanse en Duitse economieën zijn gestopt met groeien, terwijl in de rest van de eurozone de verwachtingen flink zijn verlaagd. De ECB verwacht echter dat in het tweede helft van dit jaar de groei weer iets zal toenemen. De bestedingen blijven op peil door werkgelegenheidsgroei en aanhoudende loongroei. Hoewel het in Duitsland en Italië minder gaat, gaat het juist goed met de Spaanse economie. Deze groeide met 2,4% in 2018. Ook de vooruitzichten zijn goed. In 2019 wordt wederom een groei van meer dan 2% verwacht. De Nederlandse economie blijft harder groeien dan het gemiddelde van de eurozone.

 

De inkoopmanagersindex (PMI Markit Composite) bevindt zich de laatste maanden op een iets hoger niveau dan in december. In februari bedroeg deze index 51,9 en in maart 51,6. Deze maatstaf voor het producentenvertrouwen bevindt zich hiermee op een laag niveau in vergelijking met de afgelopen jaren. Een niveau boven de 50 duidt echter nog steeds op verwachte economische groei.

 

De Chinese groeivertraging, mede als gevolg van het handelsconflict met de VS, raakt de open economie van de eurozone. Daarnaast zorgen de Brexit, de sociale onrust in Frankrijk en de politieke en financiële ontwikkelingen in Italië voor onzekerheid. De Italiaanse economie bevindt zich in een recessie en door een somber groeivooruitzicht zal het begrotingstekort hoger uitvallen dan de 2,04% die met de EU is afgesproken. Het laatste woord is hierover waarschijnlijk nog niet gezegd. De over het algemeen neerwaartse verrassingen in de economische cijfers kunnen er ook op wijzen dat de onderliggende conjuncturele dynamiek eerder dan voorzien is afgezwakt, tegen de achtergrond van de steeds volwassener conjunctuurfase waarin de economie van het eurozone zich bevindt.

 

De krimp van 4,2% van de industriële productie in december was de grootste daling sinds 2009. Met name de Duitse economie werd hierdoor sterk geraakt. In januari van dit jaar was de daling echter teruggelopen en bedroeg deze nog 1,1% in vergelijking met een jaar eerder. De detailhandelsverkopen stegen in februari met 2,8%. Dit was ruim meer dan verwacht werd.

 

Het werkloosheidspercentage in de eurozone daalde in februari naar 7,8%. Dit is het laagste percentage sinds oktober 2008. De ECB gaat uit van een gemiddeld werkloosheidspercentage van 7,9% in 2019, waarna deze verder afneemt naar 7,7% in 2020 en 7,5% in 2021.

 

De ECB verwacht dat de HICP-inflatie van de eurozone daalt van 1,7% in 2018 naar 1,2% in 2019, waarnaar deze weer oploopt naar 1,5% in 2020 en 1,6% in 2021. Daarmee ligt de inflatie ruim onder de ECB-doelstelling van net onder de 2%. De afname van de HICP-inflatie in 2019 is toe te schrijven aan een scherpe daling van de HICP-energie-inflatie, die de recente daling van de olieprijzen weerspiegelt. De HICP exclusief energie en voedsel stijgt volgens de ECB namelijk van 1% in 2018 naar 1,2% in 2019, 1,4% in 2020 en 1,6% in 2021. Deze geleidelijke stijging komt door de aanhoudende, zij het meer gematigde groei van de economische bedrijvigheid en de krapte op de arbeidsmarkten (oplopende loonkosten). De HICP vertegenwoordigt een voor de Eurozone representatief “mandje” van goederen en diensten.

 

In maart kondigde de ECB een nieuwe ronde van zogeheten TLTRO’s aan. Dit zijn goedkope leningen aan banken. In 2014 en 2016 werden al vergelijkbare programma’s ingezet. Deze leningen zijn direct gekoppeld aan de leningen die banken aan consumenten en bedrijven geven. Op deze manier wil de ECB zo direct mogelijk de bredere economie stimuleren en de inflatie aanjagen. Het nieuwe pakket goedkope leningen aan banken wordt vanaf september geïntroduceerd. Daarnaast kondigde de ECB aan in ieder geval tot aan het einde van dit jaar de beleidsrente op 0% te houden. Eerder zei de ECB steeds dat de rente op zijn minst tot het eind van de zomer van 2019 niet te verhogen, maar vanwege de verslechterende economische data is dat verlengd. De rente blijft in elk geval laag zolang dat nodig is om de inflatie op de middellange termijn naar de doelstelling van net onder 2% op jaarbasis te brengen. Het programma van de ECB loopt nog, maar de ECB is eind 2018 gestopt met verdere netto aankopen van obligaties. Mocht de economie verder verslechteren dan zijn de monetaire middelen van de ECB om de economie te stimuleren beperkt.

 

Nederland

Internationale onzekerheden over de Chinese economie, het handelsbeleid van de VS en de Brexit die boven de markt hingen, werken nu door. Voor zowel 2019 als 2020 schat het CPB de groei van de Nederlandse economie op 1,5%. Vorig jaar was er nog sprake van 2,5% groei. De afkoeling is volgens het CPB vooral terug te zien in de Nederlandse uitvoer, die in 2019 en 2020 beduidend minder hard groeit dan in de afgelopen jaren. De uitvoer neemt met 1,1% per jaar toe in 2019 en met 2,3% in 2020, tegen gemiddeld 4,3% per jaar van 2014 tot en met 2018. Ook de investeringen en particuliere consumptie groeien minder hard. De totale binnenlandse bestedingen blijven op peil doordat het expansieve begrotingsbeleid grotendeels compenseert voor de lagere groei van particuliere bestedingen.

 

De HICP-inflatie komt volgens het CPB in 2019 uit op 2,3% en in 2020 op 1,4%. In 2018 bedroeg de inflatie nog 1,6%. Met name verhogingen van de indirecte belastingen – het lage btw-tarief, de energiebelasting en de ODE-heffing – dragen bij aan de stijging dit jaar. In 2020 valt dit effect weg en loopt de inflatie terug. De lagere olieprijs heeft juist een drukkend effect op de inflatie.

 

De krapte op de arbeidsmarkt leidt tot een afname van de werkloosheid en hogere lonen. Zo daalde de werkloosheid is februari naar 3,4%. Dit is het laagste niveau sinds begin 2003. De loonstijging bereikt volgens het CPB in 2019 haar hoogtepunt; de cao-lonen in de marktsector stijgen met 2,7%, gestuwd door een hogere inflatie. In 2020 neemt de loonstijging af naar 2,3%.

 

China

De Chinese economische groei vertraagde en kwam uit op 6,6% in 2018. De economische groei over het laatste kwartaal van 2018 kwam uit op 6,4% in vergelijking met een jaar eerder. Dit is de laagste groei sinds de financiële crisis. Het handelsconflict met de VS laat haar sporen na. Daarnaast voert de Chinese overheid beleid om tekorten en schulden te verminderen. Dit drukt de economische groei op korte termijn. Zowel de groei van de Chinese import als export daalt, alsook de verkoop van voertuigen.

 

De Chinese goederenimport is goed voor circa 11% van de wereldgoederenimport (tegenover 14% voor de VS). Ook voor Duitsland is China een belangrijke handelspartner. Circa 7% van de Duitse goederenexport gaat namelijk naar China. De Duitse goederenexport naar China bestaat voor zo’n 24% uit voertuigen. Het Duitse bbp bestaat voor een relatief groot deel uit export. Dit betekent dat Duitsland relatief gevoelig is voor een terugval van de vraag.

 

De Chinese overheid zoekt de balans tussen de nodige economische hervormingen en het behalen van groeidoelen. Nu de groei door handelstarieven en kredietbeperking afneemt, voert China de stimuleringsmaatregelen weer op. Zowel de publieke investeringen in infrastructuur als de kredietverlening nemen toe en er zijn lastenverlagingen aangekondigd. Tevens is de reservevereiste voor banken in 2018 een aantal keer verlaagd. Het vertrouwen van inkoopmanagers wordt langzaam beter. Een belangrijke manufacturing PMI steeg van een driejarig dieptepunt in februari van 49,2 naar een niveau van 50,5 in maart. Positieve geluiden over ontwikkelingen in het handelsoverleg met de VS dragen hieraan bij. Verbetering van de Chinese economie kan weer een positieve impuls geven aan de Europese economie. Een toename van kredietgroei bij inefficiënte allocatie betekent echter dat China op middellange termijn kwetsbaar blijft.